Ordeningen: de charme van de restbak

In sommige reacties op de lezing van Bas Haring – NVB-jaarcongres 12 november – wordt een link gelegd met David Weinbergers boek Everything is miscellaneous. Het is de moeite waard om dat verband nog wat verder uit te spitten. Waarschijnlijk kent Bas Haring het werk van Weinberger niet, anders had hij hem vast wel genoemd. Maar dat hoeft ook niet. Zijn overpeinzingen waren interessant genoeg om er nog even op door te denken, zoals ongetwijfeld zijn bedoeling was.

Wat ik Bas’ verhaal miste, en ook in de reacties trouwens, is de waterscheiding, zeg maar de ‘great divide’ tussen de fysieke en de digitale wereld die centraal staat in de visie van Weinberger. Hier probeer ik Weinbergers ordeningsprincipes –zijn three orders of order (*)- te koppelen aan de drie reflecties van Bas.

(*) First order: het ordenen van fysieke objecten. Second order: het ordenen van representaties, ‘afgietsels’ van fysieke objecten. Experts spelen daar een cruciale rol bij. Third order: zowel digitale objecten of digitale content, als de eraan toegevoegde metadata, alles is digitaal. De eindgebruiker maakt zijn eigen ordeningen. Dat ondergraaft de rol van experts.

Informatie structureren is mensenwerk

Bas begint zijn verhaal met een jeugdherinnering. Hoe hij ooit meehielp bij het inrichten van een winkel. Waar moesten de hoestbonbons staan? En waar de keelpastilles? Zodat de klanten ze goed in het vizier kregen. Het herinnerde mij meteen aan de proloog van Weinbergers boek, waar hij de inrichting beschrijft van het Prototype Lab, de modelwinkel van kantoorbedrijf Staples. Ordening in de fysieke ruimte, wayfinding, dingen op hun plek zetten. Dingen die maar op één plek kunnen zijn. Het laatste geldt ook voor de gereedschappen die Bas in mooie laatjes in de schuur heeft opgeborgen. En het geldt voor servies en keukengerei, kruiden in potjes, die Weinberger als voorbeeld geeft. Het zijn allemaal ordeningen op het eerste, fysieke niveau (first order of order).

Daarna volgt een verhaal over twee IJslandse meeuwensoorten. Heel kort samengevat: als je van IJsland naar het oosten trekt, lijkt de ene soort meeuw via een aantal varianten over te gaan in de andere meeuwensoort. Vogelexperts spreken dan van ringsoorten.  Thuis heb ik dit verhaal nog eens nageplozen. Hoofdfiguren zijn de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw, die een heel ingewikkelde vorm van verwantschap vertonen (het Larus-complex).  Er schijnt zelfs onzekerheid te bestaan of deze verwante, hybride meeuwensoorten wel een ringsoort vormen. Het onderbrengen van deze soorten in een taxonomie lijkt een beetje op het opbergen van spullen in kastjes of laatjes (first order). Elke soort heeft zijn plaats in die indeling, kan ook maar op één plek worden benoemd. Bibliothecarissen kennen dat, veel classificaties zitten zo in elkaar. Maar kennis laat zich moeilijk opsluiten in hokjes. Bij Weinberger lees ik een enigszins vergelijkbaar stukje over Afrikaanse leeuweriken. Ook daarover is een soortendiscussie gaande (het long-billed lark complex). Weinberger merkt daarover op: ‘Nor do biologists today think there’s a system of perfectly distinct essential characteristics that define species perfectly’ ( p.117). En heel veel pagina’s verderop: ‘We can’t put everything away in its place because those places are just sort-of and kind-of where things belong. Everything belongs in more than one place, at least a little bit’ (p 189). Bas: categorieën zijn geen absolute waarheid, ze zijn sloppy, je mag ze met een korrel zout nemen. Weinberger: die rommeligheid is juist een kernaspect van de third order of order (hfst. 9: Messiness as a virtue).

Dan het ordenen van digitale projectverslagen. Bas vertelt hoe hij in de problemen kwam als het over verschillende onderwerpen ging. Eigenlijk zou hij kopieën van het verslag in meerdere mapjes in zijn pc moeten stoppen. Nee, dan ging dat verslag liever maar in een ‘restbak’. Met wat zoeken kwam het meestal wel tevoorschijn. Zodoende verschoof zijn voorkeur van het ordenen in mapjes naar het ‘stapelen’ in zijn restbak. In een artikel in Informatie Professional nr. 11/12, – als voorbeschouwing op zijn keynote lezing voor het NVB-congres- legt hij het nog eens uit, onder het motto ‘pile, not file’.

‘Pile or File’ of andersom. Hoe bewaar je persoonlijke documenten? Of mailberichten? Fysiek of digitaal, er zijn grofweg twee stromingen. Je hebt ‘filers’, opbergers, die gehecht zijn aan het selecteren van waardevol materiaal. Zij hebben hun eigen opbergmethodes en –systemen (first en second order). En je hebt ‘pilers’, stapelaars. Zij besteden zo min mogelijk tijd aan selecteren of opbergen, maar leggen alles op stapels. Met hun stapelkennis of met bepaalde mechanismen (tags en zoekmachines) kunnen zij hun stapels naar believen sorteren of uitkammen. Volgens Weinberger is in de digitale wereld is het principe van stapelen – alles op één grote hoop, die je daarna op alle denkbare manieren kunt organiseren – een radicaal ándere en ook de belangrijkste manier van ordenen (third order).

Vervolgens is Bas op zoek naar beeldmateriaal in het archief van Spaarnestad Photo.  Uit zijn verhaal heb ik niet goed meegekregen hoe hij daar precies gezocht heeft (of het is mij ontgaan). Op de website van Spaarnestad kun je zoeken in een digitale catalogus. Je krijgt dan gedigitaliseerde foto’s uit de beeldbank gepresenteerd. Een nagespeelde zoekvraag van Bas – foto’s over ‘mensen die juichen bij volleybalwedstrijden’ – gaf weinig resultaat. Of het zou die ene foto moeten zijn van het applaudisserende Nederlandse volleybalteam uit 1967. Ik vond nog andere merkwaardige trefwoorden als ‘Kapsels buitennissig’ en ‘Mechanisch uitwerpen vliegtuigpassagiers’. Ze leverden allebei ook 1 foto op.
Lang niet al het archiefmateriaal is digitaal. De deelcollecties omvatten heel veel fysiek materiaal (fotoafdrukken, negatieven, film etc.). En het kan goed zijn dat Bas Haring voor zijn foto’s de hulp van een archiefexpert moest inroepen. De drie ordeningstypen die Weinberger bij zijn beschrijving van de Bettman / Corbis fotoarchieven onderscheidt, zijn ook in dit archief te herkennen. Maar bij Spaarnestad kunnen bezoekers het gevonden materiaal niet voorzien van eigen tags, zoals bij Flickr of Picasaweb. Dat zijn nog iets betere voorbeelden van een third order verzameling.

De charme van niet bewust opgeslagen informatie

Bas vertelt over een onderzoek naar de visstand in de Golf van Mexico. Er waren jammer genoeg geen gegevens om de situatie te vergelijken met hoe het vroeger was. Bij toeval ontdekte men een bestand met gegevens van oude menukaarten. Daaruit was af te leiden welke vissoorten pakweg vijftig jaar geleden veel gegeten werden en voor welke prijs ze op de kaart stonden. Die menukaarten waren natuurlijk wel bewaard met een bepaald doel. Maar het doel was niet om onderzoek te doen naar visstanden. Serendipity is meteen zo’n ingewikkeld woord. De formulering van Bas – de charme van niet bewust opgeslagen informatie – klinkt veel beter.

In zijn lezing en in het IP artikel gaat Bas ook in op de Twitterhype. Daar zie je eigenlijk het spiegelbeeld van dat zeevisonderzoek. ‘Als men over tien jaar wil weten: had men het in 2009 nog wel eens over cassettebandjes, dan kun je dat onderzoeken door naar conversaties op Twitter te kijken.‘ […] straks kan ook het informele gesprek onderwerp van onderzoek zijn, omdat het allemaal is vastgelegd’.

Door informatie te delen vermindert de diversiteit ervan

Bas vergelijkt de ontwikkelingen in de informatiewereld met de evolutie die Darwinvinken op de Galapagoseilanden hebben doorgemaakt.  De aanwezigheid van veel eilandjes heeft hun soortenrijkdom vergroot. Geldt dat ook voor informatie? Ontwikkelen kennis en informatie zich niet ook in een eilandjesstructuur? En als we steeds meer informatie delen, vraagt Bas zich af, neemt dan de diversiteit van informatie niet af? Ik las dat Bas in de 4e Eilandlezing, 18 oktober in Naturalis, ongeveer dezelfde vraag had opgeworpen:  ‘Hoe erg is het dat (bio)diversiteit verdwijnt?’ Zijn antwoord: ‘Biodiversiteit is een gevolg van het bestaan van eilanden. Als er geen eilanden meer zijn, neemt de biodiversiteit af. Unieke soorten verdwijnen en er komen meer van dezelfde dieren en planten. Persoonlijk vind ik het niet erg dat dit gebeurt. Waarom zouden er zoveel verschillende soorten moeten zijn?’ Dat is toch wel wat in tegenstrijd met zijn oproep aan bibliotheken om zich te profileren als een soort ‘dierentuinen’ of reservaten waar bijzondere informatie bewaard mag blijven.

Tot slot vertelt Bas hoe hij op een parkeerplaats een straattekenaar zag werken aan een fraaie tekening. Het begon te regenen. Voor een straattekening is dat niet best. Bas wilde nog gauw een foto maken. De tekenaar echter vond het verregenen van zijn kunstwerk niet zo’n probleem. Het hoorde erbij.
Dat deed mij denken aan de zandmandala’s van Tibetaanse monniken. Vorig jaar en ook dit jaar waren groepjes monniken op tournee in Nederland. Ze traden op met rituele zang, lamadansen en het maken van zandmandala’s, o.a. in verschillende Openbare Bibliotheken. In de Tibetaanse traditie is de zandmandala een afspiegeling van de kosmos en van het hemelse paleis van Kalachakra, een boeddhistische godheid.
Het maken van zandmandala’s verbeeldt ook de vergankelijkheid van het materiële leven. Als je geen boeddhist bent kun je de mandala zien als een kunstwerk. En ben je informatiespecialist dan herken je in de mandala misschien een vorm van informatie-als-ding. Kennis van geometrische figuren, van symbolen, rituelen, pigmenten, ‘schilder’techniek, meditatie en gezangen, wordt voor een korte periode vastgelegd in een afbeelding, een patroon van gekleurd zand. Nadat de mandala is voltooid wordt hij op ceremoniële manier weer vernietigd. Het zand wordt bij elkaar geveegd en in een nabijgelegen rivier of stromend water gestrooid. Dat een mandala verdwijnt is niet erg. De kennis die erin besloten lag heeft betekenis gekregen.
Nog eenmaal Weinberg: ‘ […] knowledge is now not our only project or our single highest calling. Making sense of what we know is the broader task, a task for understanding within the infrastructure of meaning.’ (p.222)

Meer:

video: Erik Boekesteijn (DOK Library Concept Center) interviewt Bas Haring op NVB congres 2009

video over het maken van een zandmandala

de symboliek van mandala’s

de Kalachakra traditie

Google finally ends the folder vs label war

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

%d bloggers like this: