Woensdag 23 juli had ik met collega Erik afgesproken voor een middagje Rotterdam.
Van Lekker Lezen in de trein kwam niet veel. Er moest vooral worden bijgepraat.
Het Natuurmuseum Rotterdam is een klein maar aantrekkelijk ingericht museum. Er zijn klassiek ogende zaaltjes, zoals de vaste expositie Wereldnatuur en de natuurhistorische collectie van Van Deinse, een fraai rariteitenkabinet met het accent op skeletten en preparaten van walvissen en dolfijnen.
Voor het contrast zorgden twee moderne wisseltentoonstellingen: “Schelpenstudies” (waterverven en pinholes van Willem Labeij 1) en 2) en “The fly woman and the mistake” (papierreliëfs van Amparo Sard). Bijzonder was ook een kleine expositie met werk van Joos van de Plas. Zij is geïnspireerd door het werk van Maria Sybilla Merian, een Duitse kunstenares en natuuronderzoekster (1647-1717), die lange tijd in Nederland en Suriname woonde en werkte.
Wij kwamen vooral voor de semi-permanente tentoonstelling “Opgeraapt, Opgevist, Uitgehakt, een uniek overzicht van fossielen uit Nederlandse bodem”.
Uniek inderdaad, want het is voor het eerst dat zoveel topstukken van Nederlandse fossielenzoekers bij elkaar te zien zijn. En de meeste zijn vondsten uit eigen land. Ik herkende de Skolithos zwerfsteen waar Jelle Reumer, museumdirecteur, zijn boek mee begint. Maar ook de schelpen en haaientanden van Cadzand, de krijtfossielen uit de Sint Pietersberg, de sauriërsporen van Winterswijk. Nederland als fossielenparadijs, het lijkt niet erg waarschijnlijk. Maar bezoekers zullen hier ongetwijfeld onder de indruk raken van de fossiele rijkdom van ons land. En wie er oog voor heeft, begrijpt ook wat voor een schat aan natuurhistorische informatie op deze expositie bijeen is gebracht.
